Verklarende Begrippen:

Architraaf: Het onderste dragende deel in een hoofdgestel*.

Beuk: De romp van een kerkgebouw; onderscheiden worden midden- of hoofdbeuk, zijbeuken en dwarsbeuk. Synoniem voor beuk in relatie tot een kerkgebouw is schip. De term beuk wordt ook gebruikt bij de ruimtelijke indeling van woningen en andere gebouwen. Een beuk is dan een door hoofdmuren begrensde ruimte die in de regel afzonderlijk overkapt is.

As: Middellijn.

Bovenlicht: Raam boven een deur of het bovenste raam van een venster.

Classicisme: Richting in de kunst die de modellen van de Griekse en Romeinse oudheid navolgt. In de architectuur betekent dit meestal de toepassing van de antieke orden. De orden zijn gebonden aan bepaalde verhoudingen en ornamenten, waarbij de zuil het meest wezenlijke element van alle onderdelen vormt.

Console: Uit de muur stekend geprofileerde stenen of houten deel dat dient ter ondersteuning van een balk, kroonlijst* of balkon, sinds de renaissance vaak in de vorm van een voluut*.

Dak(schild): Een dak is een afdekking van een gebouw, bestaande uit een kapconstructie met verscheidene dakvlakken (m.u.v. een plat dak), de zogenaamde dakschilden, waarop de dakbedekking is aangebracht.

Dakkapel: Een klein uitspringend venster dat het hellende dakvlak onderbreekt, aangebracht om licht en lucht onder de kap toe te laten.

Eclecticisme: Bouwstijl waarbij men de vormen van verschillende bouwstijlen combineert tot een nieuw geheel. In het laatste kwart van de 19de eeuw beoogde men met de combinatie van verschillende stijlelementen vooral een schilderachtig effect te bereiken.

Eierlijst: Decoratieve lijst waarop afwisselend eivormige en pijlachtige figuren zijn aangebracht.

Empirestijl: Bouwstijl uit de begin van de 19de eeuw, ten tijde van de Franse overheersing, gebaseerd op de hernieuwde kennismaking met de antieken d.m.v. opgravingen e.d. Toepassing van elementen uit de Egyptische, Etruskische en Romeinse bouwkunst. De term wordt vaker toegepast voor de meubel- en interieurkunst uit deze periode.

Fries: In de klassieke bouwkunst een onderdeel van het hoofdgestel* tussen architraaf* en kroonlijst*. In ruimere zin: horizontale band met schilder- of beeldhouwwerk, metselmozaïek e.d. om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of om het te delen.

Fronton: Driehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel, venster of ingang naar klassieke trant.

Gepotdekseld: Gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering van boven tegen te gaan.

Gesneden: Voorzien van houtsnijwerk.

Getoogd: Gebogen, bijvoorbeeld de bovenzijde van een venster.

Hoofdgestel: Breed, horizontaal lijstwerk met bepaalde verhoudingen. Een classicistische bekroning bestaande uit de onderdelen: kroonlijst*, fries* en architraaf*.

Ionisch: Een variant op de Griekse classicistische bouwstijl afkomstig van de Ionische eilanden. Het meest eigene kenmerk van deze variant is de versiering van de kapitelen* met twee grote voluten* aan iedere zijde.

Kapiteel: Bekroning van een zuil, pilaster* of pijler, veelal voorzien van een beeldhouwwerk volgens de klassieke motieven.

Klauwstuk: Uit- en ingewerkt zij- of vleugelstuk*, gewoonlijk paarsgewijs ter weerszijden van de hals van een gevel of dakkapel*.

Klokgevel: Klokvormige gevelbeëindiging.

Kloostermop: Een groot formaat baksteen, met van oorsprong afmetingen van 35 x 17 x 9 à 10 cm.

Koor: Een meestal veelhoekig afgesloten gedeelte aan het uiteinde van een (voormalige) r.-k. kerk waar zich het hoofdaltaar bevindt. Het koor is veelal aan de oostzijde gelegen.

Korintisch: Een versieringsmotief van acanthus(=berenklauw)bladeren.

Kroonlijst: Een horizontale, uitspringende en meestal geprofileerde band die de bekroning vormt van een muur onder het dak of boven een ander belangrijk bouwonderdeel zoals vensters, portiek, dakkapel* enzovoort. In oorsprong de bovenste uitspringende lijst van een hoofdgestel*, een element uit de Griekse bouwkunst.

Liseen: Verticale, enigszins uit de muur vooruitspringende band met een decoratieve functie.

Mansardedak: dakvorm waarbij het onderste deel van het zadeldak* of schilddak* steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat. De naam is afgeleid van de 17de-eeuwse Franse architect Mansard. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw veelvuldig toegepast bij kleine woningen om een grotere zolderverdieping te krijgen.

Muuranker: smeedijzeren staaf om balken en stijlen aan muren te bevestigen en deze tegen uitwijken te vrijwaren. Een muuranker bestaat uit een ‘strop’ en een ‘schieter’. De horizontaal geplaatste strop is voorzien van een oog, waardoor de verticale schieter kan worden gestoken. De schieter drukt dan tegen het muurwerk. Een muuranker kan recht, S-, X- of Y-vormig, maar ook rijk bewerkt zijn. Ook jaartalankers komen voor.

Ontlastingsboog: Boog gemetseld in een muur boven een raam- of deuropening om het erboven liggende metselwerk te dragen.

Overstek: Bouwdeel dat vooruit steekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

Paneel: Rechthoekig vlak, gevat in een omlijsting, toegepast in een deur of luik. Als decoratief motief ook toegepast in een fries* of een liseen*.

Pilaster: Vierkante halfzuil, evenals een klassieke zuil voorzien van een voet en een kapiteel*. Vooral in de gevelarchitectuur van de renaissance en barok toegepast, vaak op hoeken van een gebouw.

Piron: Bolvormig op een voet staand ornament op de uiteinden van een nok.

Puibalk: Balk aan de voorgevel.

Puntgevel: Gevel eindigend met een driehoekig bovendeel, overeenkomend met de vorm van het aansluitende zadeldak*.

Risaliet: Midden- of hoekrisaliet. Vooruitspringende gevelpartij die over de gehele hoogte doorloopt. In een middenrisaliet bevindt zich veelal de ingang.

Roosvenster: Oorspronkelijk uit de gotische bouwkunst afkomstig rond venster voorzien van figuren in de vorm van rozetten of ster- of cirkelmotieven binnen een cirkel.

Schilddak: Dak met twee driehoekige schilden aan de smalle zijden en twee trapeziumvormige aan de lange zijden.

Schip: Hoofdruimte van een kerk.

Schuifvenster: Het geheel van kozijn, raam en ruiten, waarbij het boven- en benedendeel van het raam verticaal langs elkaar kunnen schuiven.

Sluitsteen: De middelste steen van een gemetselde boog, die als laatste afsluiting geplaatst wordt en die meestal van natuursteen is.

Snijraam: Van (rijk) houtsnijwerk voorzien bovenlicht van een deur.

Spant: Driehoekige opbouw van balken, bestaande uit de horizontale van muur tot muur lopende kap- of trekbalk, ook wel zolderbalk genoemd en twee schuin tegen elkaar geplaatste kap- of spantbenen.

Strek: Verticale bovenafsluiting van een venster of deur om de druk van het muurwerk erboven op te vangen. De naam ‘strek’ geldt ook voor de lange smalle zijde van een baksteen.

Timpaan: Het in een fronton* besloten veld.

Transept: Synoniem voor dwarsschip.

Trapgevel: Gevel waarvan de top zich trapsgewijs versmalt.

Travee: De afstand tussen twee opeenvolgende steunpuntassen of draagmuren in de lengterichting van een gebouw of bouwonderdeel. 

Tuitgevel: Puntgevel met links- en rechtsonder een klein horizontaal gedeelte en aan de bovenzijde eindigend in een smalle, rechthoekige hals.

Verglaasd: Geglazuurd.

Vlechtingen: Wigvormige gemetselde inzetstukken toegepast bij puntgevels* als versteviging van het metselwerk langs de schuine zijkanten. Meestal vier tot acht lagen breed.

Vleugelstuk: Een houten of stenen klauw die, ter verfraaiing, gewoonlijk paarsgewijs aan weerskanten van een geveltop of dakkapel* is geplaatst.

Voluut: Spiraal of krulvormige versiering van Ionische* of Korintische* kapitelen*; ook toegepast als krul voor klauw*- of vleugelstukken* van gevels, deuren of vensteromlijstingen.

Wenkbrauw: Een enigszins uitkragende, gemetselde of gepleisterde decoratieve band aan de bovenzijde van een venster of deur.

Wolfsdak: Dak met afgeschuinde kanten aan de korte zijden.

Zadeldak: Dak met twee dakschilden* die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen.

Zwik: Het hoekstuk tussen een boog en een rechthoekige omlijsting waarin de boog is gevat.